Vorige zaterdag opende Walter De Buck (76) op het groot podium bij Sint-Jacobs traditiegetrouw de Gentse Feesten, het jaarlijkse volksfeest in de Gentse binnenstad. Een volksfeest dat De Buck 41 jaar geleden nieuw leven in blies.
Het volledige interview vind je in Primo TVgids nr. 30.
Elke buurt in Gent had in de 19de eeuw zijn eigen feest op zondag, waar het bier rijkelijk vloeide. Het absenteïsme in de fabrieken op maandagmorgen was dan ook opvallend hoog. Het stadsbestuur besloot daar wat aan te doen en bundelde alle plaatselijke feesten samen in één groot feest: de Algemene Kermis. Het was 1843 en de eerste Gentse Feesten waren officieel geboren. Het feest ging toen nog door in Sint-Denijs-Westrem maar in het begin van de 20ste eeuw verhuisde het naar het stadscentrum. Het traditionele Bal Populaire op de Kouter refereert nog naar die tijd. Maar na de Tweede Wereldoorlog stierven de Gentse Feesten een stille dood. En dan, in 1969, was er een hippie die rond het café Trefpunt – bij Sint-Jacobs – de Gentse Feesten herlanceerde. Het werd een groot succes en het kleine volksfeest groeide uit tot hét grootste culturele evenement in openlucht van Europa.
Zo is het toch, Walter?
Walter De Buck: Zo is het inderdaad. En het streelt ongelofelijk mijn ego als mensen dat zeggen. Ik moet daar niet vals bescheiden over doen: ik ben de stichter van het grootste culturele volksfeest van Europa, ja!
Heb je een groot ego?
Men zegt vaak dat artiesten voortdurend op zoek zijn naar aandacht; ik denk dat iedereen voortdurend op zoek is naar aandacht, in om het even wat hij of zij doet. Voor mij was het in ieder geval al vroeg duidelijk: ik zou kunstenaar worden. Mijn vader was kunstschilder en leraar tekenkunst aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent. Ik volgde aan die academie les en studeerde er in 1954 met grote onderscheiding af. En van toen af ging het snel: in 1958 werden enkele beelden van me tentoon gesteld op de Wereldtentoonstelling in Brussel. Mijn carrière was gelanceerd.
De Gentse Feesten zijn volop aan de gang. Ga je elke dag?
Ja, ik ben dat verplicht, hé. Tien dagen lang ben ik rond of op het Sint-Jacobs te vinden. Voor mij persoonlijk zijn dàt de Gentse Feesten: bij Sint-Jacobs. Elk initiatief in een ander deel van de stad is goed, maar ik ga er niet naar kijken. Ik blijf op mijn pleintje, ik zal er nooit weggaan.
(…)
Voel je je voldoende erkend?
(Lange stilte, fronst het voorhoofd) Neen, maar daar wil ik niet over praten. Als ik dood ben zullen ze wel beseffen wat ik heb betekend. Ik ben zeker geen sant in eigen land. Maar in Gent overdrijven ze soms wat… Gelukkig wordt ik uit mijn eigen hoek – mijn gezin, mijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen – over het algemeen wel graag gezien en geapprecieerd.




















