Mike Verdrengh staat met 64 lentes opnieuw op de set van de VTM-reeks ‘De Rodenburgs’, alsof de jaren geen vat hebben op hem. “Van werken ga je niet dood”, relativeert Mike. Maar het afscheid nemen valt hem steeds zwaarder. “Het nadeel van de jongste van de familie te zijn”, aldus Mike Verdrengh.
Het volledige interview lees je in Primo TVgids nr. 37. Hier vind je alvast een teaser…
(…)
Doen jij en je vrouw nog regelmatig dingen samen?
Soms gaan we een week naar Andalusië, waar we een optrekje hebben. Maar de jongste tijd houdt de familie ons meer hier. Mijn ouders zijn er niet meer, maar Irènes ouders worden ouder. Het is niet evident om nu te zeggen: we gaan eens zes maanden in Andalusië zitten. Ik dacht dat het die kant op zou gaan, maar dat is dus niet zo. Mijn oudste broer ligt momenteel trouwens in Gasthuisberg, na een ongeluk. Dan wil je ook liever hier zijn om hem te bezoeken, hé. En daarvoor waren het mijn ouders die me hier hielden.
Een stom ongeluk, wat je broer overkwam?
Een ongelukje in de keuken, waarbij hij serieuze brandwonden heeft opgelopen. Hij heeft een aantal operaties achter de rug. Het waren eigenlijk echt hele zware brandwonden. Levensbedreigend zelfs. De huid houdt niet alleen het vocht in je lichaam, maar beschermt je ook tegen alle mogelijke infecties. Als je rekent dat meer dan een vierde van zijn lichaam tot in de derde graad verbrand is, en dus eigenlijk een open wonde was, waren de risico’s van vochtverlies, mogelijke infecties, plus de narcoses voor pijn en heelkundige ingrepen, zeer levensbedreigend. Maar in Gasthuisberg verrichten ze elke dag wonderen.
Mijn broer is negentien jaar ouder dan ik. Hij is 83. Maar een sterke vent. Met nog steeds een sterke wil om te leven, om door te gaan. Hij had net zo goed kunnen zeggen: wat heb ik nog te gaan. Maar bij hem overheerst de levensdrang. Hartverwarmend om te zien. Mijn vader en moeder hadden dat ook. Tot je op het punt komt dat je vrede neemt met: dit was het dan. Ook Guido (Depraetere, nvdr) was voor zichzelf op dat punt gekomen: het is genoeg geweest. Het is voor de achterblijvers veel moeilijker om zich daarbij neer te leggen.
Mijn andere broer woont al veertig jaar in Zweden, in Göteborg. Hij was doctor in de rechten, ging daarna economie studeren in Zweden, en werkte bij Volvo. Zweedser kan het niet. (lacht) Prachtig land trouwens. Alleen de winters zijn lang, hé.
We bellen elkaar vaak, mijn Zweedse broer en ik, en je voelt de onmacht bij hem, want hij wil mijn broer graag bezoeken. Maar heeft ook zijn leven en zijn familie dáár.
Ik ben nu de jongste van mijn familie. Ik zie de oude familie om me heen verdwijnen. Tantes, nonkels, ouders… Dat is ook weer het nadeel van de jongste te zijn. Ik blijf in principe als laatste over. Dat is niet altijd een cadeau. Je moet steeds maar afscheid nemen van mensen die je niet graag ziet gaan.
Wordt je leven eenzamer?
Niet dat de somberte toeslaat, maar er besluipt je toch een hoop heimwee en melancholie. Mijn ouders werden allebei 90, maar Guido was 59 toen hij overleed. Het is des levens. Het hardt je. Ik heb het tot nu toe allemaal een plaats kunnen geven. Het verdriet slaat bij mij op een gegeven moment toch steeds om in dankbaarheid om de herinnering.
Twee maanden geleden filmden we voor ‘De Rodenburgs’ op een begraafplaats in Brugge. Ik dacht: toch niet díe begraafplaats? Maar het was ‘m wel, het kerkhof waar Guido begraven ligt. Ik ging er met hangende poten heen. Zocht het graf van Guido op. We hebben even gepraat. Hij zei: “Awel jong, zijt gij nóg bezig?” (lacht) Die dag was Guido erbij op de set. Het was goed om weer eens samen op de set te staan. En tegelijk een vreemde gewaarwording.




















